Leesfragment uit Het zwijgen van Maria Zachea

Vooraf

Ik geloof niet dat ze me nog herkent. Maar zeker weten doe ik dat niet, want ze blijft me strak aankijken.

‘Dag oma’, zeg ik. ‘Ik ben het, de dochter van Piet.’

Ze blijft me aanstaren. Kunnen ogen ook ophouden met spreken? Er valt niet veel uit haar blik op te maken. Ik glimlach maar wat, leg onhandig mijn hand op haar magere arm. ‘Dag oma’, zeg ik nog een keer. Ze wendt haar gezicht af en kijkt weer naar de televisie.

Ik voel me opgelaten. In de bijna vijf jaar dat oma nu stil op haar stoel zit, ben ik bijna nooit bij haar op bezoek geweest. Ik was 21 toen zij eind 1988 werd getroffen door een hersenbloeding. Er waren reizen, liefdes, een nieuwe studie, een andere stad. Aan mijn oma dacht ik niet.

Ik kende haar ook nauwelijks. De 29 kleinkinderen waren haar best lief, we mochten met kerst allemaal komen sjoelen in de achterkamer. Maar ze was geen oma voor logeerpartijen, snoep en cadeautjes. Ze had al der tien kinderen grootgebracht – en dat vond ze meer dan genoeg.

Het is warm in de huiskamer. Mijn oom Nico zet koffie. Het is vanavond zijn beurt om op zijn moeder te passen. De familie wil niet dat oma, die sinds een paar jaar weduwe is, naar een verpleeghuis gaat. Overdag wordt ze verzorgd door verpleegsters, ’s avonds wisselen de kinderen elkaar af.
‘Waarom zegt oma niks?’, vraag ik aan Nico.

‘Dat weten we niet’, zegt hij. ‘Ze kán nog wel praten, daar ligt het niet aan.’

Na een uurtje ga ik weg. ‘Dag oma’, zeg ik. Ze kijkt niet op.

De laatste jaren van haar leven woonde oma naast mijn ouders. Ik was toen al de deur uit, maar wanneer ik bij hen op bezoek kwam, in het Zaanse Wormer, zag ik haar ’s avonds vaak zitten voor het raam. Steeds met een ander kind tegenover zich. Mijn ooms en tantes keken televisie, lazen de krant, gaven hun moeder eten en drinken en legden haar in bed.

‘Het zal vast niet lang duren’, zeiden ze in het begin tegen elkaar. Maar tegen alle verwachtingen in bleef oma leven. Acht jaar lang zat ze op haar stoel, voor ze, in 1997, overleed. Al die tijd bleven mijn vader en zijn broers en zussen voor ‘moe’ zorgen. Dat was ‘heel gewoon’, zeiden ze. ‘Zoiets doe je voor je moeder, ja toch?’ Ook onderling spraken mijn ooms en tantes amper over de verzorging van hun moeder. ‘Alles gaat goed, ja hoor, prima.’

Ik begreep die zwijgzaamheid niet. Waarom spraken zij zich niet uit? En waarom hield oma haar mond, als ze wel kon praten? Wat ging er schuil achter dat stille, ogenschijnlijk harmonieuze beeld dat avond aan avond in de huiskamer van oma werd geëtaleerd?

Als ik de acht broers en vier zussen bij elkaar zag, kon ik vaak niet geloven dat ze echt familie waren. Tussen de oudste, Jo, geboren in 1934, en de jongste, Guus, die van 1953 is, zat bijna twintig jaar verschil. Ze leken uit andere werelden te komen, mijn keurige tante die graag bij de Margriet te rade ging, en mijn ruige, langharige oom die zich in zijn jeugd liet inspireren door Marx en Jim Morrison.

Zo waren er meer intrigerende verschillen. Naast de twee oudste zussen, beide huisvrouw, had je de ‘professoren’: de serieuze broers die vroeger in de stad studeerden en die op verjaardagen vaak luidruchtig discussieerden over de wereldpolitiek. De ‘professoren’ hadden op hun beurt weinig gemeen met de ‘werkers’: de vier broers die van jongs af aan hun vader hielpen in het hoveniersbedrijf – en dat bedrijf vervolgens uitbouwden tot één van de grootste tuincentra van Nederland. En dan had je nog de vrijgevochten ‘kleintjes’, die van popmuziek hielden en die typische jarenzestigberoepen hadden als socioloog of cultureel werkster.

Mijn oma bracht al die verschillende stemmen weer bij elkaar. Jarenlang waren haar kinderen hun eigen weg gegaan. Nu deelden ze, net als vroeger, weer hetzelfde bed – al eisten sommigen schone lakens.

Ik zag de broers en zussen zitten en wilde weten wat ze dachten, in die stille uren. Wat wisten ze van hun moeder Maria Zachea? Wat wisten ze eigenlijk van elkaar? Hoe keken ze terug op hun gezamenlijke geschiedenis? Waren ze eenzaam geweest in dat grote, katholieke gezin, wat vreesden ze het meest en waar droomden ze stiekem van?

Hun verhaal zou veel méér zijn dan een familievertelling alleen. In de jaren vijftig en zestig veranderden de tijden razendsnel. Je kon, als je het rijtje afging, bij elke volgende broer of zus de maatschappelijke omwentelingen het gezin zien binnendenderen. Het was er allemaal: de armoe na de oorlog, de loodzware handkar en de aanschaf van de eerste brommer, de komst van rock’n-­roll, de invloed van de televisie en het onderwijs, de kinderen die niet meer naar de kerk wilden (en de woedende, orthodoxe vader), de eerste Vietnam­-teach in, het grote geld en de nieuwe hobby­tuinen, de bevrijding die de pil bracht, de popmuziek, de drugs en ‘de ontdekking van jezelf’.

De vraag was of mijn ooms en tantes zich wilden lenen voor deze persoonlijke oral history. In elke familie, en zeker in de mijne, is er wel een zwijgen, een opeenstapeling van onuitgesproken gevoeligheden, meningen en herinneringen. Iedereen wringt zich in bochten om de band die familie heet, te bewaren.

Als dochter en nichtje had ik me die kunst van het zwijgen vast ook eigen gemaakt. Maar nu had ik een alibi. Een alibi om de stilte te verbreken. Ik ging een boek schrijven. Een boek waarin ze allemaal, voor het eerst, hun eigen verhaal zouden vertellen, te beginnen bij de oudste en te eindigen bij de jongste. Een boek waarin niets verzonnen zou zijn.

Sommigen aarzelden. ‘Mijn moeder wilde altijd alles binnenskamers houden’, zeiden ze, ‘en nu ligt onze geschiedenis op straat. Ze zou zich omdraaien in haar graf!’

Maar ik had geluk. De meesten durfden het aan. En toen wilden de anderen niet achterblijven. Al was het maar omdat ze dan konden lezen hoe hun broers en zussen erover dachten.

Verder lezen? Ga naar uw bibliotheek en krijg daar Het zwijgen van Maria Zachea de hele maand november cadeau!